284,340 visitors
327,409 page views
1.15 page views / visitor

 

Cicero

You are here:   Home > Boekbesprekingen > Op zoek naar de verloren tijd 2

Op zoek naar de verloren tijd 2

 

In de schaduw van de bloeiende meisjes - Marcel Proust

 

Het tweede boek uit de romancyclus Op zoek naar de verloren tijd, getiteld In de schaduw van de bloeiende meisjes, is een tweeluik. Het eerste deel, Autour de Mme Swann (Rondom Mme Swann) gaat over Marcels eerst opbloeiende, dan moeizaam ten einde lopende liefde voor Gilberte, en speelt zich af in Parijs, vooral in het huis en de nog bescheiden ‘salon’ van mevrouw Swann, waar de verteller onder meer kennismaakt met de muziek van componist Vinteuil en met de (eveneens fictieve) schrijver Bergotte.

Dit eerste deel sluit min of meer direct aan op het voorafgaande deel, De kant van Swann, waarin op het eind beschreven wordt hoe Marcel verliefd wordt op Gilberte Swann. Ook hier wordt het tijdsbesef diffuus gehouden, en worden de talloze bezoeken van de verteller aan het huis en de salon van Mme Swann afgewisseld, aangevuld en uitgebreid met bespiegelingen over literatuur, muziek, schrijverschap, theater, de werking van het geheugen en nog veel meer andere zaken die Proust door zijn ‘vertelling’ heen vlecht, en die door hun prominente aandacht de vertelling vaak dreigen over te nemen. Het is niet altijd makkelijk om de aandacht erbij te houden… 

De overgang van het eerste deel (Rondom Mme Swann) naar het ‘vervolg’ (Plaatsnamen: de plaats) is vrij abrupt. Gescheiden door een ‘witruimte’ van twee jaar hervinden we Marcel als hij samen met zijn grootmoeder op weg gaat naar de badplaats Balbec. Ik vind deze ‘overgang’ tussen beide delen erg mooi. Rondom Mme Swann eindigt met een bespiegeling van de verteller naar aanleiding van de verloren liefde voor Gilberte, waarmee deze tegelijkertijd dit hoofdstuk ook definitief afsluit:

“En daar de gemiddelde levensduur van poëtische gevoelens veel groter is dan die van het lijden van het hart, werd het sinds lang uitgewiste verdriet dat ik om Gilberte had, ruim overleefd door het genoegen dat ik nog altijd heb als ik op een soort van zonnewijzer in de maand mei de minuten tussen kwart over twaalf en één uur wil aflezen en mij dan weer met Mme Swann zie babbelen, onder haar parasol als was het een bladerdak van blauweregen.”

Na dit mooie nostalgische einde, waarin ten overvloede ook nog eens duidelijk wordt waarom dit deel naar Mme Swann genoemd is en niet naar Gilberte, slaan we de bladzijde om en lezen:

“Ik had een bijna volledige onverschilligheid bereikt ten opzichte van Gilberte, toen ik twee jaar later met mijn grootmoeder naar Balbec vertrok.”

Daarop volgen dan weer hele uiteenzettingen en bespiegelingen van de verteller over de aard en de werking van het geheugen, over het verschil van beleving in de droom (fantasie vooraf) van een plaats of gebeurtenis en de ‘ontgoocheling’ (zeker in eerste instantie) die optreedt als het gedroomde vooruitzicht in werkelijkheid gerealiseerd wordt. Over de ‘aard’ van het reizen en van de indrukken die daarbij worden opgedaan. Et cetera…

Ik begin Plaatsnamen: de plaats te lezen, langzaam, genietend van elke zin en zinswending, herlezend, herkauwend… Meer dan een uur doe ik over de eerste vijftien bladzijden van dit deel, maar ik besef dat ik dit soort ‘verloren’ tijd moet koesteren omdat ik hier zo dicht mogelijk op het ‘fenomeen’ Proust ben aanbeland. Ik ervaar nu (overigens niet voor de eerste keer) aan den lijve wat die ‘speciale leeshouding’ inhoudt die je nodig hebt om echt tot in de ziel van het werk van deze schrijver door te dringen. En wat dat oplevert! Ik streep veel passages aan om eruit te kunnen citeren, de een nog mooier dan de ander, maar zie daar grotendeels toch maar vanaf: ik zou het halve boek moeten overschrijven.

 

Dit tweede deel van  In de schaduw van de bloeiende meisjes  behandelt de ontluikende liefde  van Marcel (als verteller) voor Albertine, of eigenlijk – meer in het algemeen – voor het groepje levendige (‘bloeiende’) meisjes die de verteller op het strand tegenkomt, en waarvan Albertine deel uitmaakt.  

De eetzaal van het Grand Hotel doet in eerste instantie dienst als centrum van informatie en handeling. Hier worden – in de inmiddels bekende ‘diffuse’ tijdsopvatting van Proust – de relaties blootgelegd tussen hotelgasten en de complete ‘netwerken’ die hierachter verscholen gaan, in een wereld die in zichzelf gekeerd is, en min of meer los staat van de buitenwereld:

“… het hotel, waar de elektrische kronen golven van licht in de grote eetzaal verspreidden zodat deze een reusachtig en wondermooi aquarium werd, tegen welks glazen wanden de arbeidersbevolking van Balbec, de vissers en ook de kleine burgerhuisgezinnen, onzichtbaar in het donker, hun neuzen platdrukten om te kijken naar het langzaam in gouden golven wiegende luxueuze leven van deze mensen, dat voor de armen even merkwaardig was als dat van zeldzame vissen of weekdieren (en de grote sociale vraag is of de glazen wand altijd het feest van de wonderdieren zal beschermen en of de onbekende mensen die begerig in de nacht rondspieden, hen niet op een dag uit het aquarium zullen halen en opeten). Maar misschien bevond zich intussen onder de in het donker duwende en dringende menigte een of andere schrijver, een liefhebber ven menselijke ichtyologie die, toen hij zag hoe de kaken van enkele oude vrouwelijke monsters zich om een brok ingeslikt voedsel sloten, er plezier in had, de voorhanden exemplaren naar ras en naar aangeboren en verworven eigenschappen te classificeren, welke laatste het bijvoorbeeld mogelijk maken dat een oude Servische dame, wier onderkin aan een grote zeevis deed denken, ten gevolge van het feit dat zij sinds haar jeugd in het zoetwaterreservoir van de faubourg Saint-Germain heeft geleefd, haar sla eet als een La Rochefoucauld.”

De verteller Marcel maakt deel uit van de ‘wonderdieren’ in het aquarium, maar tegelijkertijd zien we de toekomstige schrijver al buiten dit beschermde wereldje treden en de wonderdieren uit zijn eigen leefomgeving – inclusief zichzelf - genadeloos fileren. Die verschillende lagen van tijd en ruimte die Proust hier dooreen vlecht zijn tekenend voor zijn stijl. Een ander opvallend ‘stijlfiguur’ is de vrije en onconventionele wijze waarop de fysieke omgeving beschreven wordt. Op de volgende manier wordt een van de nieuwe personages in het verhaal geïntroduceerd, en tegelijkertijd het contrast tussen de verblindende hitte buiten aan zee en de koelte van de eetzaal van het Grand Hotel opgeroepen:

“Op een zeer warme middag zat ik in de eetzaal van het hotel, die vanwege de felle zon halfdonker was omdat men de gordijnen dichtgetrokken had die door het licht van buiten een gele kleur kregen terwijl men tussen de kieren het blauw van de zee zag flikkeren, toen ik op het pad dat van het strand naar de weg liep, een jongeman, groot, slank, met losse kraag, trots opgeheven hoofd en doordringende ogen zag aankomen, met een lichte huid en zulk goudblond haar alsof het alle stralen van de zon geabsorbeerd had. In soepele, bijna witte stof gekleed zoals ik nooit gedacht had dat een man zou kunnen dragen, en van een lichtheid dat het niet minder dan de koelte van de eetzaal het beeld van warmte en mooi zomerweer opriep, liep hij vlug verder. Zijn ogen, uit een waarvan af en toe een monocle gleed, hadden de kleur van de zee.”

Intrigerend vind ik dit soort ‘observaties’, waarbij de auteur de natuurwetten naar zijn hand zet om daarmee een ‘hogere’ waarheid te illustreren.

Buiten de ‘bloeiende meisjes’, maakt de verteller in dit deel kennis met het werk en de persoon van de (fictieve) schilder Elstir, die een grote invloed zal hebben op het kunstbesef van de jonge Marcel:

“Hij leert dat de kunst (ook de zijne, nog in de schoot van de toekomst verborgen) een schepping is die aan Gods schepping een andere gedaante geeft, een irrationele, menselijke vorm. Hij realiseert zich dat daarvoor een ‘kunstenaarsgenie’ van node is, dat werkt als ‘die extreem hoog opgevoerde temperaturen die het vermogen bezitten om atoomconcentraties uiteen te doen vallen’, dat dus de natuur geweld aandoet om haar beter te leren doorgronden; het atelier van de schilder gelijkt het laboratorium van de fysicus.” (Kruithof, Gezicht op Proust, p.43).

Het gevolg is dat Marcel op een andere, meer abstraherende manier naar de werkelijkheid gaat kijken, als een impressionistisch schilder. Vanwege al deze ‘leermomenten’ ten aanzien van de liefde en de kunst wordt dit deel vaak gekarakteriseerd als dat van de ‘leerjaren’ (coming of age) van de verteller.

 

 

 

 

 

Wandelblogs

 

 

Iedere zaterdag (bijna) wandel ik in de omgeving van Utrecht. Door weer en wind, bij nacht en ontij (bij wijze van spreken). Dat komt niet doordat ik zo ondernemend ben, maar door het feit dat ik me in de zomer van 2012 heb aangesloten bij een wandelgroep. Heerlijk! Ik hoef niet alles zelf te plannen of te organiseren, maar vooral te zorgen dat ik op zaterdag bijtijds opsta en mij op het afgesproken uur bij de startlocatie meld. Die startplaats wisselt wekelijks, en daarmee uiteraard ook het wandeltraject.

Na verloop van tijd ben ik onderweg wat foto’s gaan maken, die ik achteraf – tezamen met een kort begeleidend commentaar - deel met mijn fellow-travellers. Sinds begin 2014 doe ik dit online, in de vorm van een soort weblog: mijn wandelblog. Omdat het voor mij elke keer weer een verrassing is waar ik zal lopen, moet ik ook mijn foto-onderwerpen ter plaatse (en in het voorbijgaan) als zodanig herkennen. Dat heeft wel iets van een wekelijkse ‘blind date’.

Het merendeel van mijn 'dates' bestaat uit “Utrechtse landschappen”, hoewel we ons af en toe ook buiten de regio wagen. Dat levert dan "Uitheemse landschappen" op, of - meer specifiek - "Kustlandschappen".

Op een gegeven moment ben ik van wandelgroep geswitcht. Vier jaar lang maakte ik deel uit van de wandelgroep LOOP, waarin ik  met veel plezier gewandeld heb. Toen die groep dreigde te worden opgeheven heb ik met een aantal mede-lopers een soort 'doorstart' gemaakt. Sinds die tijd loop ik dus met de "Doorlopers". 

Nu, na inmiddels meer dan 10 jaar wandelen, loop ik nog steeds met evenveel plezier. Alleen merk ik dat we - uiteraard - vaker dezelfde routes lopen. En dat mijn teksten en beelden bijgevolg in herhaling gaan vervallen. Dat is voor mij voldoende reden om niet alles wat ik loop nog in mijn 'wandelblog' te melden... 

Sorry daarvoor.

   


 

 

boekenkat

 

Mijn boekenka(s)t(t)en

 

 

 

 

 

 

 

 

 Extra's

 

Rome revisited

Een reisverslag

 


  

Zes dagen Dublin

Een reisverslag

 


  

Weerzien in Petersburg

Een reisverslag

 


  

Omweg naar Moskou 

Rusland

Een reisverslag

 


 

Rondreis door Ierland


Een reisverslag

 


 

Zeven dagen in Rome

 

Een reisverslag

 

 

 

 

Copyright © Paul Lamandassa 2007-2024 | Powered by CMSimple| Template: ge-webdesign.de| Login